Na de opening in 1945 vonden er nog herbegrafenissen plaats. Niet alle verzoeken werden ingewilligd.
Klik op uw keuze:

Slachtoffers van elders
'Sluiting' van de Eerebegraafplaats
Herbegrafenissen 1946-1955
Afwijzingen en verplaatsingen
Het verstrooien van as

Afwijzingen en verplaatsingen
Regelmatig werd een verzoek tot herbegraven afgewezen. Bij het toe- of afwijzen, beoordeelde men onder meer de aard van het verzet dat het slachtoffer had gepleegd. Maar soms moest het bestuur nog moeilijkere beslissingen nemen: het weer opgraven van een slachtoffer dat onterecht een plek op de Eerebegraafplaats had gekregen. Er bleek namelijk soms ‘gerechtvaardigde twijfel’ te bestaan ‘aan de verdiensten voor het Vaderland’. Daarom werd in 1947 een onderzoekscommissie ingesteld. De commissie stond onder leiding van de Amsterdamse officier van justitie mr. H.A. Wassenbergh en commissaris van politie J.H. Heijink.
In de notulen van een vergadering in april 1948 wordt vermeld dat het bestuur ‘het zware besluit heeft moeten nemen de resten van enige personen te doen herbegraven, omdat na zeer zorgvuldig onderzoek van hen gebleken is, dat zij niet op onze Eerebegraafplaats thuis behoren (...): onomstotelijk kwam vast te staan, dat zij niet tot de verzetsslachtoffers kunnen worden gerekend; integendeel, zij hebben het Nederlandse volk gedurende de bezettingsjaren min of meer benadeeld.’ In totaal werden tussen december 1945 en november 1948 de stoffelijke resten van twintig personen (‘onwaardigen’ genoemd) van de begraafplaats verwijderd. In 1952 werd besloten geen stoffelijke resten meer van de Eerebegraafplaats te verwijderen.