Het plan van de architecten Gerard Holt en Auke Komter was in augustus 1945 goedgekeurd. In de periode erna werd het verder uitgewerkt. Klik op uw keuze:

Discussie rond het eerste schetsontwerp
Maulbronner zandsteen
Klachten uit de samenleving
Het logboek van Ten Hoope
Nationaal verzetsmonument
Een sober voltooiingsplan
Gedenkstenen in de duinen

Het logboek van Ten Hoope
Opzichter Ten Hoope hield vanaf 1946 drie jaar lang een logboek bij. Hierin is te lezen wat er zich precies rond de inrichting van de begraafplaats afspeelde. Het logboek meldt bijvoorbeeld dat de NS in september en oktober 1946 ruim zeshonderd ton flagstones (het carboonzandsteen) vervoerde van Wijlre-Gulpen naar station Overveen – en dat tegen de helft van de normale kosten. De circa tweeduizend ton Maulbronner zandsteen werd in oktober en november door legertrucks van Otterlo naar de begraafplaats vervoerd. Het kostte tien vrachtwagens in totaal 335 ritten.

Rond oktober 1946 werden de grafvakken voorzien van planten. Deze planten werden geschonken na een oproep van de Haarlemse tuinarchitect A.H.F. van der Colk in De Boomkwekerij, een vakblad voor kwekers. In het voorjaar van 1947 werden de paden tussen de 41 grafvakken en de omgang rond de begraafplaats belegd met het carboonzandsteen. Verder werd een rand rond de grafvakken aangebracht en werden de grafzerken geplaatst. De randen en zerken werden vervaardigd van grijsgeel Obernkirchener zandsteen, dat was geleverd door diverse natuursteenhandels. Op de grafzerken werden met de hand de namen en de geboorte- en overlijdensdatum gehakt, tezamen met een door de nabestaanden gekozen tekst of spreuk.

Op 10 mei 1947 werd de 2,5 meter hoge bronzen urn geplaatst. Verder werden rondom de begraafplaats als ommuring blokken Maulbronner steen los op elkaar gestapeld op het duinzand. Het gevaar van onderstuiving met duinzand én het aantal konijnen was hierdoor aanzienlijk beperkt. Architect Komter waarschuwde echter dat verzakkingen en verschuivingen zouden optreden, omdat de muur ‘gedeeltelijk op maagdelijke en gedeeltelijk op aangevoerde grond’ stond. Het bestuur van de Stichting memoreerde daarom dat de situatie nu aanzienlijk was verbeterd, maar dat het geheel nog steeds een voorlopig karakter droeg. Men kon er zo jaren tegen, maar de Eerebegraafplaats kon ‘in deze voorlopige afwerking niet aan de hoede van het nageslacht worden overgegeven’.